Artikel over Louis in Algemeen Dagblad van 11 februari 2006

Bij leven adviseur van de Arabisch Europese Liga, postuum geprezen door de extreemrechtse Nederlandse Volks Unie. Louis Sévèke was wereldberoemd in activistisch Nederland. Waarom is het dan zo stil na de moord op de linkse activist?
Eénennegentig dagen geleden, ´s avonds even over negen, klonken op een kille novemberavond in de binnenstad van Nijmegen twee schoten. Een witte partytent werd neergezet om een lichaam te herbergen, een begrafenis werd georganiseerd om een verloren vriend te eren. En de politie zei haar best te doen. Daarna werd het stil.
,,Als we dachten dat we door te tetteren de moord zouden oplossen, dan zouden we dat wel doen.’’ Zegt Eveline Lubbers, oprichtster van het linkse onderzoeksburo Jansen en Janssen. ,,Wat heb je eraan om stennis te schoppen, om de barricaden op te klimmen, als je niet weet wat je moet schreeuwen.’’ Zegt Susan, persvoorlichtster namens de familie van de vermoorde man. ,,We hebben behoefte aan rust in het onderzoek.’’ Zegt de politie. Ja, er verschenen verhalen waarin Louis Sévèke liefdevol werd geportretteerd. Berichten over de dossiervreter, de integere onderzoeker, de vriend van onderdrukt Nederland. Gevolgd door verhalen over zijn vijanden, over zijn verleden dat niet helemaal brandschoon zou zijn. Toen werd het weer stil.
Het was juist die rust, die stilte, die de pen van poëet Gerrit Komrij in beweging bracht. Drie dagen voor kerst, vijf weken na de moord op Louis Sévèke, schreef de voormalige Dichter des Vaderlands een wrang-vileine column. ‘Wat is er in Nijmegen aan de hand?’ vroeg hij zich af. Om meteen maar zelf het antwoord te geven: ‘radicaal links’, de ‘strijdmakkers’ van Sévèke, die normaliter zo heilig geloven in samenzweringstheorieën, ja, die ‘Nijmeegse fundamentalisten’, die verdienen onze grote argwaan. Want waarom waren ze toch zo stil? Komrij’s conclusie: ,,Ik geloof niet in samenzweringen, anders ging ik haast denken dat het clubje boter op zijn hoofd heeft.’’
De provocatie werkte, zegt Eveline Lubbers, die in het verleden samenwerkte met Louis Sévèke. Ze reageerde in een vlammende column in aktieblad Konfrontatie. ,,Ik was zó boos. Die column van Komrij was zó vuil. En waarom? Omdat we stil bleven. Dat de Nijmeegse revolutionairen de politie tijd gaven, daar móest wel wat mis mee zijn. Komrij had net zo goed kunnen schrijven dat wij bloed aan onze handen hebben. Dat was minder laf geweest.’’
Toch, zeggen andere vrienden van Louis Sévèke, is het niet helemaal verbazingwekkend dat de verbazingwekkende stilte na zijn gewelddadige dood zo intrigeert. ,,Het is iets wat bij heel veel mensen leeft,’’ zeggen Rick van Amersfoort en Wil van der Schans, onderzoekers bij Jansen en Janssen. ,,Maar ja, moeten we dan maar iemand gaan aanwijzen, ofzo? Wij hebben toch ook geen idee? Hij was de laatste tijd juist meer in de luwte bezig. Zelf onderzoek doen? Tja, wij zijn geen detectives, wij zijn dossiervreters. Een moordonderzoek is een zaak van de politie. Bovendien heeft de politie een voorsprong: ze kenden Louis erg goed.’’
Jean-Louis Sévèke werd in 1964 in Venray geboren. Twintig jaar later heet hij Louis, is hij student, en woont hij in Nijmegen. In een postuum gepubliceerd interview met Grenzeloos (een uitgave van Socialistische lternatieve Politiek) vertelt hij over hét beslissende moment in zijn leven. ,,Het was bij een bezetting van het ministerie van Onderwijs, in 1986. Ik ben er toen nogal hardhandig uitgegooid door de politie, in elkaar getrapt en gewond geraakt. Die nacht heb ik mijn wonden zitten likken en besloten dat ik het helemaal anders zou gaan doen. Mijn studie –waarvoor ik in 1984 in Nijmegen was terecht gekomen- dat geloofde ik eigenlijk wel. (…) Nu wilde ik met een groep mensen in een kraakpand gaan wonen en me samen met hen met politiek bezighouden.’’
En dat deed hij. Met complete overgave. Hij zette zich in voor de rechten van krakers, voor veganistische gedetineerden, procedeerde tegen projectontwikkelaars, hij ageerde de laatste maanden van zijn leven tegen verbiedverboden voor zwervers, zette zich in voor asielzoekers en daklozen, én schreef veelvuldig over het werk van veiligheidsdiensten. Daarmee werd Sévèke wereldberoemd in activistisch Nederland.
Maar ook achter de schermen speelde hij een prominente rol. ,,Het zal een jaar geleden zijn dat wij benaderd werden door meneer Sévèke,’’ zegt Dyab Abou Jahjah, voorman van de Arabisch Europese Liga (AEL). ,, Hij koesterde ideologische sympathieën voor onze beweging. Het emancipatorische gehalte van de Ael strookte met zijn idealen. Hij wilde ons waarschuwen voor infiltratie door de Aivd van onze organisatie. Ze zouden de AEL van binnenuit kapot willen maken. Nee, concrete informatie had hij daar niet over. Hij waarschuwde ons dat het vaker gebeurt bij linkse clubs.’’ Louis Sévèke had nóg een waarschuwing voor de AEL. ,,Hij vreesde voor de veiligheid van AEL-activisten. Hij zei dat iemand als ik me altijd moest laten beveiligen bij spreekbeurten.’’ Na een pauze: ,,Gezien de traumatische evolutie in zijn geval, kan niemand hem die waarschuwing kwalijk nemen.’’ Dyab Abou Jahjah zegt het wat erg omfloerst. Hij wil maar zeggen dat hij nog leeft, en dat Louis Sévèke er niet meer is.
Speculeren over de achtergrond van die moord wil de AEL-voorman niet. ,,Ik heb m’n vermoedens, maar daar laat ik me niet over uit. Ik heb het gevoel dat het met zijn actie-achtergrond heeft te maken.’’
De sympathie van Sévèke voor de AEL is niet zo opmerkelijk. Maar postuum wordt de linkse activist zelfs geëerd door een fervente politieke tegenstander als Constant Kusters, de voorman van de extreem-rechtse Nederlandse Volks Unie (NVU). Bij leven en welzijn stonden ze lijnrecht tegenover elkaar. Een enkele keer zelfs letterlijk. Met de koevoet in de hand, herinnert Kusters zich. Maar na de moord op Sévèke plaatste diezelfde Kusters (‘noem me maar volksnationalist’) op de website van de NVU een eerbetoon aan zijn opponent. ,,Sévèke was geen hanenkamkraker. Je hebt het hier over een kopstuk, intelligentsia. Na zijn moord werd er geroepen dat dit keer ‘de kogel van rechts kwam’. En er zullen best mensen in de marge zitten die zeggen: ‘Goed dat-ie dood is’. Maar ik, als partijvoorzitter, zeg iets anders. Kijk, over het buitenlandersvraagstuk was ik het nooit met Sévèke eens geworden, maar in veel opzichten voerden we dezelfde strijd. Tégen Haagse regeltjes, tégen de bemoeienis van de Aivd.’’
Waar komt die fascinatie van Louis Sévèke voor veiligheidsdiensten vandaan? Natuurlijk, midden jaren tachtig was links, activistisch Nederland het belangrijkste studie-object van de Binnenlandse Veiligheids Dienst (BVD). En dus wilde Louis Sévèke, nieuwsgierig als hij was, weten wie hem in de gaten hield. Maar er is ook een andere reden. Eveline Lubbers: ,,We moeten niet vergeten dat hij negen maanden heeft vast gezeten. Hij is midden jaren tachtig, op basis van verklaringen van infiltranten in de kraakscene, veroordeeld voor betrokkenheid bij de rellen bij de ontruiming van kraakpand Mariënburg.’’ Dáár, bij de ontruiming van hét krakersbolwerk van Nijmegen, werd de kiem gezaaid van een levenslange fascinatie voor het werk van inlichtingendiensten en hun anonieme medewerkers: infiltranten en informanten.
In verschillende publicaties haalde Sévèke ze uit de anonimiteit. Eerst in het zonder auteursnaam verschenen ‘De tragiek van de Geheime Dienst’ (1990), later in het wel onder zijn naam verschenen ‘Operatie Homerus’ (1998). Op de dag na de moord, werd in de kraakscene van Nijmegen al voorzichtig geopperd dat juist het onthullen van de identiteit van één BVD-informant Louis Sévèke fataal was geworden.
Deze Cees van Lieshout hád een motief: zijn carrière was geknakt door de publicaties van Sévèke. Bovendien was hij aantoonbaar labiel én vuurgevaarlijk. Was de undercoveragent immers na zijn ontmaskering niet veroordeeld voor gewapende overvallen? Inmiddels geloven weinigen nog dat van Lieshout iets met de moord op Sévèke te maken heeft. De man is te oud, ziek, woont op Kreta, en het is allemaal gewoon te lang geleden. In Vrij Nederland vroeg vervolgens een andere door Sévèke ontmaskerde informant zich af waarom de politie hém nog niet gehoord had: ,,Ik heb een motief.’’ De man zegt na zijn ontmaskering in de kelder van kraakbolwerk De Grote Broek urenlang –met een felle lamp op zijn gezicht- ondervraagd en geïntimideerd te zijn door Louis Sévèke.
Helemaal onwaarschijnlijk is dat verhaal niet, zeggen mensen die nauw met Sévèke samenwerkten. Eveline Lubbers: ,,Het was een heel andere tijd. Er werden in die tijd wel eens gesprekken met infiltranten of informanten gevoerd die wat langer duurden dan één van de partijen wilde. En nogmaals: Louis had negen maanden vastgezeten op basis van de verklaring van een infiltrant.’’ Rick van Amersfoort van onderzoeksbureau Jansen en Janssen, zelf bovenmatig geïnteresseerd in het werk van veilgheidsdiensten: ,,Dat je stevige gesprekken voert met informanten is logisch. Ze zijn levensgevaarlijk. Het zijn vaak mensen met problemen, die worden benaderd om tegen betaling informatie te leveren. Foute boel. Dus flip je misschien als je daar achter komt. Maar dat soort verhalen zeggen maar één ding over Louis: dat hij niet brandschoon was, dat hij vijanden had. Maar niemand is brandschoon.’’