Reflecties op Tegenspraak, Blauw, 29 april 2006, nr 9

door Hans Schaafsma

Een werkgroep heeft de opdracht om voor 1 juni van dit jaar te komen met een protocol voor de organisatie van tegenspraak. Op dit moment geeft een aantal korpsen ook al invulling aan dit fenomeen.

Tegenspraak is een van de methoden om het risico van tunnelvisie en groepsdenken - zoals in de Schiedammer parkmoord - te beperken. Tegenspraak is het intern georganiseerd, doorlopend toetsen van beslissingen door niet bij het onderzoek betrokken medewerkers. De organisatie van tegenspraak is in het verbeterprogramma Versterking opsporing en vervolging beschreven in de vorm van de driedeling reflectie – tegenspraak – review (zie kader).
De landelijke clusterwerkgroep ‘Tegenspraak’ heeft de opdracht om voor 1 juni van dit jaar te komen met een protocol voor de organisatie van tegenspraak. Ook in dit proces
speelt reflectie uiteraard een doorslaggevende rol, want over de uiteindelijke invulling van het tegensprekermodel is nog niet iedereen het eens. Hoe tegenspraak wordt georganiseerd, zal per regio verschillen en is afhankelijk van onder andere het aantal lopende TGO-onderzoeken en de beschikbare capaciteit. Ook bij het Openbaar Ministerie (OM) wordt gestalte gegeven aan georganiseerde tegenspraak.

Rapport Posthumus

Op dit moment geven de korpsen al invulling aan tegenspraak. In Rotterdam-Rijnmond is na het verschijnen van het rapport Posthumus direct een vorm van tegenspraak ingevoerd, in afwachting van de uitkomsten van de werkgroep. Per TGO wordt door de regionale stuurploeg beoordeeld of er sprake moet zijn van tegenspraak. De ‘tegensprekers’ hebben de taak onderzoeksscenario’s op een rij te zetten en te kijken of ze alle voldoende zijn uitgerechercheerd. Dan wordt ook bekeken of het TGO de juiste onderzoeksrichting heeft
gekozen en of de capaciteit van het TGO parallel loopt met de zwaarte van het onderzoek. Een van de teamleiders in Rotterdam-Rijnmond en ‘tegenspreker’ in deze regio, beschouwt tegenspraak als een noodzakelijk kwaad. “Waar het om gaat, is dat mensen in staat zijn vanuit hun vakkennis feedback te geven en feedback te ontvangen, en dat is niet altijd het geval.” Naar zijn mening hangt het succes van de tegenspreker af van zijn deskundigheid en het vertrouwen dat hij geniet van de teamleider en het management van het rechercheonderzoek. Hij weet uit ervaring dat er veel tact en wijsheid voor nodig is om kritiek goed voor het voetlicht te kunnen brengen. Desondanks vindt hij dat de inzet van tegensprekers veel inzichten kan opleveren.

Opinieleiders

In het verbeterprogramma staat dat de tegenspreker de briefings en de besprekingen van de teamleiding in principe niet bijwoont, om te voorkomen dat hij wordt meegezogen in het groepsdenken. Hier wordt echter verschillend over gedacht. Voornoemde teamleider is er bijvoorbeeld voorstander van dat tegensprekers wel aanwezig zijn bij (een aantal) briefings. “Daar ontmoet je de mensen en hoor je de meningen. Daar herken je ook de opinieleiders. Opinieleiders zijn mensen die hun mening prominent naar voren schuiven, wat ten koste kan gaan van andere meningen. De politie kent veel dominante mensen. Daar zoom ik tijdens een briefing op in. Dominantie hoeft geen slechte eigenschap te zijn, maar als het betekent dat andere meningen niet worden gehoord kan dat erg schadelijk zijn voor het verloop van het onderzoek.”
Hij legt uit dat deze negatieve vorm van dominantie op alle niveaus de kop kan opsteken. De een gedraagt zich dominant vanuit zijn jarenlange ervaring en lapt nieuwe inzichten over bijvoorbeeld een fotoconfrontatie aan zijn laars, een ander baseert zijn zelfveronderstelde overwicht op zijn positie. Bij dominantie spelen volgens de Rotterdamse teamleider ook voorkeuren voor personen een rol. Wordt bijvoorbeeld een deskundige niet bij het onderzoek betrokken of wordt aan zijn woorden getwijfeld omdat een opinieleider hem niet mag, dan kan hierdoor cruciale kennis buiten beschouwing blijven. Beïnvloeden dominante medewerkers het onderzoek op een schadelijk manier, dan moeten zij worden bijgestuurd of zelfs vervangen.
Een tegenspreker kan ook andere zaken signaleren. Bijvoorbeeld dat politiemensen die dag en nacht bij een onderzoek betrokken zijn niet meer in staat zijn een zekere emotionele afstand te bewaren.

Kader:
Reflectie, tegenspraak, review

Reflectie is het dagelijks ter discussie stellen van oordelen die ten grondslag liggen aan belangrijke beslissingen in de opsporing en vervolging. Reflectie behoort dan ook onderdeel uit te maken van de reguliere werkprocessen binnen opsporing en vervolging. Zolang dit nog niet tot in de diepste krochten van de recherchecultuur is ingedaald, blijft de noodzaak bestaan van de georganiseerde vormen: tegenspraak en review. In de gevallen dat een rechercheonderzoek vastloopt of dreigt vast te lopen, moet het onderzoek aan een review worden onderworpen. Een review is een diepgaande herbeoordeling van alle onderzoeksinformatie en de daarop genomen beslissingen in zowel de opsporings als de vervolgingsfase. Een reviewteam bestaat uit deskundigen van politie en Openbaar Ministerie (OM) van buiten het korps en het parket waar het onderzoek plaatsvindt.
Einde kader

Competenties

De werkgroep omschrijft de tegenspreker als een op niveau 5 gekwalificeerde medewerker (MBO-diploma van studierichtingen die toegang bieden tot HBO, HAVO-diploma of propedeuse/diploma HBO of WO) met een diversiteit aan deskundigheid en ervaring met complexe onderzoeken. Een aantal persoonlijke competenties die de werkgroep noemt zijn: onafhankelijk denken en kunnen omgaan met weerstand.
De tegenspreker is stressbestendig en positief kritisch, hij kan relativeren en een onafhankelijk oordeel vormen en hij heeft gevoel voor verhoudingen. Dit zijn slechts enkele van de persoonlijke eigenschappen die de tegenspreker moet bezitten. Wat de vakinhoudelijke competenties betreft, geeft de werkgroep onder andere aan dat de tegenspreker ruime en brede recherche-ervaring moet hebben. Hij heeft kennis van het ontwikkelen van hypotheses en scenario’s, hij kent de opsporingsmogelijkheden en -bevoegdheden en is bekend met groepsdynamische processen, met name die welke kunnen leiden tot tunnelvisie. Teamleider van het Amsterdamse Review en Coldcaseteam, Theo Vermeulen was al tegenspreker, onder andere bij de Schiedammer parkmoord in 2004. Hij vreest dat tegensprekerteams wellicht hiërarchisch te zwaar worden opgetuigd: “Door een tegenspreker vanuit de hoogte van zijn schaal aan te wijzen en niet vanuit de benodigde kwaliteiten - zoals nu in de praktijk gebeurt -, wordt onvermijdelijk een enorm gewicht aan zijn taak toegekend. Het effect daarvan kan zijn dat deze tegenspreker rechercheurs eerder afschrikt dan uitnodigt om een lekkere stekelige discussie aan te gaan.”
Tegensprekers moeten volgens Vermeulen veel vertrouwen genieten van de betrokken politiemensen in het onderzoek, dat is wat hem betreft zeker zo belangrijk als hun vakkennis. Door soms een briefing of brainstormsessie bij te wonen, creëren ze dat vertrouwen.“Een tegenspreker moet een betrouwbare coach zijn, waarmee iedereen van het team kan sparren over allerlei onderwerpen uit het onderzoek. Iemand bij wie je je verhaal kwijt kunt. Het moet zeker niet een autoriteit zijn die je het gevoel geeft dat hij je werk constant beoordeelt.”

Onafhankelijkheid

De rol van de tegensprekers is nog een punt van zorg voor de werkgroep. Olivier Dutilh, chef Bureau Zedenpolitie in Amsterdam en lid van de werkgroep, beaamt dat voorkomen moet worden dat de tegenspreker als bedreigend wordt ervaren. Dutilh: “Erg belangrijk is dat tegenspraak uiteindelijk een vanzelfsprekend onderdeel wordt van de cultuur waarbinnen rechercheonderzoeken worden uitgevoerd.”
Volgens hem moet tegenspreken niet een baantje worden dat je even erbij doet. “Met een dag per week wat verslagen doorlezen, red je het niet. Hoeveel tijd het wel kost, is op voorhand lastig aan te geven. Dat hangt af van de complexiteit van het onderzoek.”
Een ander aspect is de positie die de tegenspreker inneemt binnen het onderzoeksteam. Om een zekere onafhankelijkheid ten opzichte van de teamleden en de onderzoeksleiding te waarborgen, moet de tegenspreker volgens Dutilh zeker niet op de schoot van de teamleider gaan zitten. De op- of aanmerkingen van de tegenspreker kunnen iedereen binnen het TGO betreffen. In het extreme geval dat een tegenspreker ziet dat zijn feedback niet wordt opgepakt en dat het onderzoek helemaal de verkeerde kant opgaat, rapporteert hij aan zijn opdrachtgever, meestal een hoofd van de recherche.

Couleur locale

Standaardisatie van de verslaglegging is een ander punt waarover de leden van de werkgroep Tegenspraak zich buigen. Hoewel een tegenspreker meestal uit de eigen gelederen zal komen, moet een tegenspreker uit Limburg evengoed tegenspraak kunnen leveren in bijvoorbeeld Groningen. Binnen de ‘couleur locale’ moet er een zekere eenvormigheid komen in de wijze waarop tegensprekers hun tegensprekerjournaal schrijven.
Waarover de leden van de werkgroep het unaniem eens zijn, is dat tegensprekers vanaf het allereerste begin betrokken moeten zijn bij een onderzoek. Dutilh: “Je start direct met tegenspraak en beslist daarna of het nodig is ermee door te gaan.” Meestal wordt in de eerste uren van het onderzoek de kiem gelegd voor het verdere verloop van het onderzoek. “Als een tegenspreker niet vanaf het begin bij een onderzoek betrokken is, wordt het buitengewoon lastig om een inhaalslag te maken zonder dat je zaken mist. Ik ben er dan ook voorstander van de tegenspreker direct aan het werk te laten gaan.”

Leiders

Alles in ogenschouw nemend zal de tegenspreker een belangrijke inbreng hebben in een TGO. De vraag rijst: zijn de leidinggevenden van politie en Openbaar Ministerie hier klaar voor? Vermeulen antwoordt hierop dat de politie oude en nieuwe leiders heeft, zoals er ook nieuwe rechercheurs en oude rotten op de werkvloer rondlopen. “Waar tegenspraak vroeger niet werd geduld, moet dat nu ineens onderdeel worden van de politiecultuur. Neem de tijd voor zo’n cultuuromslag en laat iedereen zijn plekje vinden en er zelf achter komen
waar zijn sterke en zwakke punten liggen.” ■

kader:
Korpsleiding verantwoordelijk

.” Pieter Jaap Aalbersberg, korpschef van IJsselland, is lid van de kerngroep programma Versterking opsporing en vervolging en direct betrokken bij de invulling van tegenspraak.
“Voor tegenspraak is een cultuur nodig waarin alle leden van een tGO hun kritische vragen kunnen stellen en met elkaar kunnen discussiëren. Een cultuur van professionaliteit en scherpte. In het programma Versterking Opsporing en Vervolging zijn die twee belangrijke pijlers ook genoemd: verhoging van de professionaliteit en een cultuur van reflectie, tegenspraak en review. Reflectie betreft vooral de cultuur, tegenspraak is meer een basisvoorziening.
Het doel van het programma is het vertrouwen van de burger in politie en justitie te herstellen. Om te zorgen dat de burger weet waarop hij kan rekenen, moet de basis van tegenspraak uniform worden geregeld. Momenteel legt een werkgroep tegenspraak in werkinstructies vast. De bijdrage van de tegenspreker gaat bijvoorbeeld deel uitmaken van het afsprakenjournaal.
De verantwoordelijkheid voor tegenspraak ligt uitdrukkelijk bij de korpsleiding en de divisiechefs. En bij het OM ligt die verantwoordelijkheid bij de rechercheofficier en de parketleiding. De leiding moet sturen op tegenspraak. De rol van de tGOleider
en de zaaksofficier is echter ook van evident belang. In eerste instantie om reflectie als cultuurgoed in het team te borgen, in tweede instantie om tegenspraak in positie te houden.
Reflectie en tegenspraak zijn echter niet van de ene op de andere dag geregeld, hoewel in verschillende onderzoeken al gebruik wordt gemaakt van tegenspraak. De komende maanden wordt gewerkt aan het implementatieplan, waar vanzelfsprekend cultuurverandering deel van uitmaakt. Een belangrijke rol is uiteraard weggelegd voor de opleiding.”